EuropaPortaal

EuropaPortaal › Dossiers

Kosten en baten van de EU: wat Nederland betaalt en terugkrijgt

Hoeveel Nederland aan de EU betaalt, wat het terugkrijgt, hoe de korting werkt en wat de EU oplevert buiten de begroting. Met cijfers tot 2025.

In het kort: Nederland betaalt elk jaar ongeveer 7,5 tot 10 miljard euro aan de EU en krijgt daarvan ongeveer 3 miljard euro direct terug. Daarmee is Nederland een nettobetaler. Maar de grootste opbrengst staat niet op de begroting: volgens het Centraal Planbureau is de Nederlandse economie door de handel in de EU ruim 3 procent groter.

Op dit adres stond in 2002 en 2003 het dossier ‘Kosten en Baten’. Dat ging over de vraag wat de grote uitbreiding van 2004 zou kosten en opleveren. Deze pagina kijkt breder: wat kost de EU Nederland nu, en wat levert ze op?

Hoe betaalt Nederland aan de EU?

De EU heeft een eigen begroting, maar heft zelf geen belasting. Het geld komt van de lidstaten, via de zogeheten eigen middelen. Voor Nederland zijn dat vooral:

  • een bijdrage op basis van het nationaal inkomen (bni). Hoe rijker een land, hoe meer het betaalt. Dit is het grootste deel.
  • invoerrechten. Dat zijn heffingen op goederen die van buiten de EU binnenkomen. Nederland int ze voor de EU en mag een deel houden als vergoeding voor het werk. Die vergoeding is nu 25 procent (Kamerbrief MFK, 12 september 2025).
  • een deel van de btw-opbrengst en een bijdrage op basis van plastic verpakkingsafval dat niet wordt gerecycled.

In 2025 was het totaal ruim 10,1 miljard euro. Daarvan was ongeveer 3,4 miljard invoerrechten (Europese Commissie, EU spending and revenue).

Betalen en terugkrijgen: de cijfers

JaarAfdracht aan de EUOntvangsten uit de EU-begroting
2023ruim 9,2 miljard euroongeveer 2,9 miljard euro
20247,5 miljard euro3,15 miljard euro
2025ongeveer 10,1 miljard euroongeveer 3,1 miljard euro

Bronnen: 2023 en 2024 Algemene Rekenkamer; 2025 Europese Commissie. Geld uit het herstelfonds zit niet in deze ontvangsten (zie verderop).

Waarom schommelt het zo? In 2024 gaf de EU minder uit dan gepland. Daardoor hoefde Nederland 2,4 miljard euro minder te betalen dan eerst geraamd (Algemene Rekenkamer).

Het verschil tussen betalen en ontvangen heet de nettobetaling. Die was in 2024 volgens de Algemene Rekenkamer 0,16 procent van het nationaal inkomen, tegen 0,30 procent in 2023. In 2023 betaalde alleen Duitsland netto meer dan Nederland. In 2024 betaalden Duitsland, Frankrijk en Zweden netto meer, gemeten als deel van hun nationaal inkomen.

De Nederlandse korting

Nederland krijgt een vaste korting op de bni-bijdrage, zodat het in verhouding niet te veel betaalt. Voor de periode 2021-2027 is dat 1.921 miljoen euro per jaar, in prijzen van 2020. Ook Duitsland, Zweden, Oostenrijk en Denemarken krijgen zo’n korting (Europese Commissie, kortingen).

Die korting hoort bij het meerjarig financieel kader (MFK): de begroting van de EU voor zeven jaar. Over het volgende MFK wordt nu onderhandeld (zie hieronder).

Waar gaat het EU-geld in Nederland naartoe?

De ontvangsten van ongeveer 3,1 miljard euro in 2025 gingen onder meer naar (Europese Commissie):

  • Landbouw: ongeveer 1 miljard euro. Het grootste deel (736 miljoen) gaat als directe betalingen en marktsteun naar boeren. De rest (279 miljoen) is voor plattelandsontwikkeling.
  • Onderzoek: 830 miljoen euro uit Horizon Europe, het onderzoeksprogramma van de EU. Volgens het kabinet krijgt Nederland van oudsher relatief veel uit dit soort fondsen (Kamerbrief, 12 september 2025).
  • Onderwijs: 176 miljoen euro uit Erasmus+, het uitwisselingsprogramma voor onderwijs.

Daarnaast is er het herstelfonds. Dat richtte de EU op na de coronacrisis. Nederland kan daaruit 5,4 miljard euro krijgen, helemaal als subsidie en niet als lening. Het geld gaat onder meer naar wind op zee, minder stikstof, betaalbare woningen en digitaal onderwijs (Europese Commissie, Nederlands herstelplan). In 2025 ontving Nederland ruim 1 miljard euro uit dit fonds (Europese Commissie). De EU heeft het geld voor het herstelfonds geleend. Vanaf 2028 begint de terugbetaling, en daar betaalt Nederland aan mee (Algemene Rekenkamer).

De baten die niet op de begroting staan

Alleen naar de begroting kijken geeft een scheef beeld. Het belangrijkste voordeel van de EU is de interne markt: één markt zonder invoerrechten en met dezelfde regels voor producten. Een Nederlands bedrijf kan daardoor net zo makkelijk naar Polen of Portugal verkopen als naar Groningen.

Het Centraal Planbureau (CPB) berekende in januari 2022 dat het Nederlandse bruto binnenlands product door de handelsvoordelen van de EU blijvend 3,1 procent hoger is. Het CPB noemt dat een voorzichtige schatting: effecten op bijvoorbeeld innovatie zijn niet meegeteld (CPB, Handelsbaten van de EU en de interne markt). Ter vergelijking: de nettobetaling was in 2024 0,16 procent van het nationaal inkomen.

Ook uitbreiding levert iets op. Het kabinet noemt als voorbeeld Kroatië, dat in 2013 lid werd. De Nederlandse export van goederen naar Kroatië groeide van ongeveer 435 miljoen euro in 2012 naar 1,4 miljard euro in 2025 (Kamerbrief 9 juni 2026). Dat was precies de gedachte in het oude dossier uit 2002: de nieuwe lidstaten kosten eerst geld, maar worden later klanten.

De strijd om de begroting na 2027

Het huidige MFK loopt tot en met 2027. Op 16 juli 2025 stelde de Europese Commissie een nieuwe begroting voor 2028-2034 voor van bijna 2.000 miljard euro. Dat is gemiddeld 1,26 procent van het nationaal inkomen van de EU (Europese Commissie).

Voor Nederland zitten er twee lastige punten in. De Commissie wil alle kortingen afschaffen, dus ook die van Nederland. En de vergoeding voor het innen van invoerrechten moet van 25 naar 10 procent (Kamerbrief, 12 september 2025).

Het kabinet noemt de gevolgen voor de Nederlandse bijdrage onacceptabel. Het wil een kleinere begroting, en de korting en de vergoeding van 25 procent moeten blijven. Een eerste compromisvoorstel van juni 2026 vond het kabinet nog veel te groot. Het verschil tussen wat Nederland had begroot en dat voorstel was gemiddeld 2,5 tot 3,4 miljard euro per jaar (Kamerbrief 16 juni 2026).

Op 16 oktober 2026 bespraken de regeringsleiders een nieuw voorstel, maar een akkoord kwam er nog niet. Ze willen voor het einde van 2026 een akkoord, zodat het geld vanaf januari 2028 zonder onderbreking kan blijven komen (Europese Raad, conclusies).

Bronnen

Bijgewerkt op 23 oktober 2026.